/// Nieuws /// heeft u recent een formulier "verklaring secundair hergebruik van persartikelen" ontvangen? /// Nieuwe richtlijnen voor deeplinking /// Workshop 22 september "Deeplinking naar krantenartikels" ///

De algemene principes van het auteursrecht zijn terug te vinden in de Wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van 30 juni 1994 (B.S. 27 juli 1994, hierna “auteurswet” genoemd).  De auteurswet werd, om ze aan te passen aan de noden van de informatiemaatschappij, grondig gewijzigd in 2005 door de wet van 22 mei 2005  houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn  Informatiemaatschappij 2001/29 (B.S. 27 mei 2005)

Wat wordt door het auteursrecht beschermd?

Er bestaat geen lijst van soorten werken die auteursrechtelijk beschermd worden.  De auteurswet spreekt enkel in vage bewoordingen over “werken van letterkunde  of kunst”.  Door de rechtspraak en rechtsleer werden in de loop der jaren wel wat basisprincipes uitgewerkt.  Zo moet een werk om in aanmerking te komen voor auteursrechtelijke bescherming  zintuiglijk waarneembaar zijn en getuigen van originaliteit.

Zintuiglijk waarneembaar houdt in dat ideeën op zich nooit auteursrechtelijk beschermd kunnen worden, ook al zijn ze origineel. Het auteursrecht slaat immers enkel op de aan één of meer ideeën gegeven vorm. 

Originaliteit houdt dan weer in dat het werk het resultaat moet zijn van een intellectuele inspanning van de auteur en dat de persoonlijke inbreng van de auteur terug te vinden moet zijn in het werk. 

Krantenartikels voldoen aan deze vereisten en zijn bijgevolg auteursrechtelijk beschermde werken.

Wie wordt door het auteursrecht beschermd?

Auteursrechten komen ten originele titel toe aan de persoon die het werk heeft gecreëerd. Ook voor werken die in opdracht of ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of statuut tot stand komen, wordt  diegene die ze daadwerkelijk creëert, als auteur ervan beschouwd.  De oorspronkelijke houder van auteursrechten is bijgevolg noodzakelijkerwijze een natuurlijk persoon. Rechtspersonen kunnen enkel auteursrechthebbende zijn wanneer hen, nadat het auteursrecht ontstaan is bij een natuurlijke persoon, de auteursrechten via een  overeenkomst werden overdragen of in licentie werden gegeven. Terwijl er bij een overdracht sprake is van een eigendomsoverdracht, wordt er bij een licentie enkel een tijdelijk gebruiksrecht verleend. In de Vlaamse krantensector wordt een groot deel van de auteursrechten van de journalisten overgedragen aan de uitgever.

Wat anonieme werken of werken onder pseudoniem betreft, wordt de uitgever ten aanzien van derden geacht de auteur daarvan te zijn.

Beschermingstermijn

Het auteursrecht op een werk blijft gelden tot 70 jaar na het overlijden van de auteur. De beschermingstermijn wordt berekend  vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het overlijden.

In geval van een anoniem werk of een werk onder een pseudoniem gaat de beschermingstermijn in op het moment waarop het werk op een geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk werd gemaakt. Wanneer het werk niet  binnen de 70 jaar na de totstandkoming van het werk voor het publiek toegankelijk wordt gemaakt, vervalt de beschermingstermijn 70 jaar na 1 januari van het jaar van de creatie van het werk. Indien de auteur zich binnen deze beschermingstermijn bekend maakt, dan geldt de gewone beschermingstermijn van 70 jaar na 1 januari van het overlijden van die persoon. 

Exclusief recht

Uit de auteursrechtelijke bescherming van een werk vloeien twee soorten rechten voort, meerbepaald de morele rechten en de vermogensrechten.

De morele rechten zijn nauw verbonden met de persoon van de auteur. Zo heeft de auteur o.a. het recht te beslissen of het werk bekend mag worden gemaakt (divulgatierecht), het recht om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren (recht van vaderschap) en het recht om zich te verzetten tegen elke wijziging van het werk (recht op integriteit). Morele rechten zijn principieel niet-overdraagbaar, maar kunnen wel worden afgestaan wanneer het gaat om een welomschreven toestemming voor een actuele uitoefening van een moreel recht.

De vermogensrechten kennen aan  de rechthebbende het exclusieve recht toe voorafgaandelijk toestemming te geven tot het gebruik van zijn werk. De rechthebbende kan zich, behoudens de door de wet voorgeschreven uitzonderingen (zie infra) verzetten tegen elk gebruik van zijn werk.

Dit exclusieve toestemmingsrecht kan onderverdeeld worden in twee categorieën.  Enerzijds is er het reproductierecht - i.e. het materieel verveelvoudigen van het oorspronkelijke werk - en anderzijds is er het openbaar mededelingsrecht - i.e. het werk in een niet-tastbare vorm voor het publiek waarneembaar maken. Deze rechten houden in dat de auteur het exclusieve recht heeft om zijn werk te reproduceren of te laten reproduceren en openbaar mee te delen of te laten meedelen. In concreto betekent dit dat (behalve voor de door de wetgever bepaalde uitzonderingen zie infra) voor elk secundair hergebruik van krantenartikels  een voorafgaande schriftelijke toelating gevraagd dient te worden. Onder  secundair hergebruik valt o.a. het elektronisch reproduceren, mededelen en/of verspreiden van krantenartikels met gelijk welk middel (scannen, verspreiding via intranet/extranet/email/website), het stockeren van persartikels etc.).  Het verkrijgen  van deze toestemming kan afhankelijk gesteld worden van het betalen van een vergoeding.

Uitzonderingen op het exclusief recht

De wetgever laat, ondanks het beginsel van exclusief recht,  toe dat in bepaalde gevallen een auteursrechtelijk beschermd werk kan worden gebruikt zonder de voorafgaande toestemming van de auteur of rechthebbenden.  Bepaalde van deze wettelijke uitzonderingen - de zogenaamde ‘wettelijke licenties’ - worden gecompenseerd door een recht op vergoeding. We denken hierbij aan de reprografie en de thuiskopie. Deze werden door de wetgever in het leven geroepen als gevolg van technologische ontwikkelingen - die het onmogelijk maken voor de auteur of de rechthebbende om de exploitatie van een werk in alle omstandigheden te controleren.

Belangrijk om weten is dat - aangezien de auteursrechtelijke bescherming de basisregel blijft - uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd. De uitzonderingen mogen bovendien ook geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van het werk.

Enkele relevante uitzonderingen:

Het citaatrecht houdt in dat er zonder toestemming kan worden geciteerd uit een krantenartikel ten behoeve van kritiek, polemiek, recensie, onderwijs of in het kader van wetenschappelijke werkzaamheden op voorwaarde dat het citaat ingekaderd wordt in een eigen uiteenzetting, volgens de eerlijke beroepspraktijken en dat de bron en de naam van de auteur worden vermeld. Het overnemen van zinsneden uit een krantenartikel komt bijgevolg niet in aanmerking om onder de uitzondering van het citaatrecht te vallen en vormt bijgevolg een inbreuk op het auteursrecht.

De reprografie-uitzondering houdt in dat een krantenartikel geheel of gedeeltelijk kan worden gereproduceerd op voorwaarde dat deze reproductie uitsluitend bestemd is voor privégebruik en/of ter illustratie bij onderwijs en of voor wetenschappelijk onderzoek en de reproductie geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk. Naar huidig recht valt onder deze uitzondering enkel de reproductie van een papieren bron naar een papieren drager, i.e. de fotokopie. In de toekomst zal deze uitzondering ingrijpend worden gewijzigd en zal ook de reproductie van een digitale bron naar een papieren drager, i.e. de print onder deze uitzondering vallen. Het is wachten op een Koninklijk Besluit dat de wetswijziging van 22 mei 2005 op dit punt in werking laat treden. Tot op heden is dit nog niet het geval waardoor het printen van krantenartikels nog steeds onder exclusief recht valt.

Tegenover deze wettelijke uitzondering staat een vergoedingsregeling.
Deze vergoeding is verschuldigd aan de door de auteurswet aangeduide representatieve beheersvennootschap, zijnde Reprobel, en heeft tot doel de rechthebbenden te compenseren voor het  nadeel dat zij lijden doordat hun werken worden gereproduceerd zonder toestemming.  Deze vergoeding heeft een duale basis. Enerzijds een forfaitaire vergoeding op apparaten die gebruikt worden om te reproduceren. Deze vergoeding wordt betaald door de fabrikanten en importeurs van deze apparaten (bijdragenplichtigen). Anderzijds wordt een vergoeding betaald evenredig aan het aantal gemaakte kopieën van beschermde werken. Deze vergoedingsplichtingen zijn organisaties, namelijk bedrijven, onderwijsinstellingen, copyshops en overheden. Particulieren betalen  via copyshops. 

De thuiskopie-uitzondering houdt in dat gebruikers geen voorafgaande toestemming dienen te bekomen van de rechthebbenden voor de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken die binnen de familiekring worden gemaakt. De wet van 22 mei 2005 heeft deze uitzondering uitgebreid tot alle werken en bijgevolg ook tot krantenartikels. Het is ook hier echter wachten op een Koninklijk Besluit dat de wetswijziging in werking laat treden.  Wanneer de wetswijziging in werking treedt, valt zowel een reproductie van een papieren bron naar een digitale drager (bv. het scannen van een krantenartikel) als een reproductie van een digitale bron naar een digitale drager (bv. het opslaan van een foto uit de krant op een usb stick), i.e. de digitale kopie, onder de toepassing van de thuiskopie-uitzondering.

Tegenover deze wettelijke uitzondering staat een vergoedingsregeling. Deze vergoeding is verschuldigd aan de door de auteurswet aangeduide representatieve vennootschap, zijnde Auvibel. Deze vergoeding heeft een duale basis. Enerzijds wordt er een vergoeding geheven op de apparaten en anderzijds op de blanco dragers.

De leenrecht-uitzondering omvat de uitlening van werken voor een educatief of cultureel doel door door de overheid officieel erkende of ingerichte instellingen. Tegenover deze wettelijke uitzondering staat een vergoedingsregeling waarbij Reprobel aangeduid werd als de representatieve beheersvennootschap.  Aangezien krantenartikels enkel kunnen worden geconsulteerd en niet uitgeleend, is deze uitzondering niet van toepassing  op krantenartikels.

De zogenaamde digitale onderwijs uitzondering omvat twee uitzonderingen, met name de digitale kopie en de mededeling ervan uitgevoerd via gesloten transmissie netwerken verricht ter illustratie bij onderwijs of wetenschappelijk onderzoek. Het eerste luik omvat de reproductie van een papieren (bv. scannen van een krantenartikel) of digitale bron naar een digitale drager. Het tweede luik omvat het ter beschikking stellen door de leerkracht van krantenartikels ter illustratie van de les via een intranetapplicatie. Tegenover deze wettelijke uitzondering staat een vergoedingsregeling. Deze blijft in de praktijk echter tot op heden dode letter gezien de vergoeding zelf en de modaliteiten ervan nog niet werden vastgelegd bij Koninklijk Besluit.